PSALMEN
Deze pagina is gemaakt door
www.bobru.nl

PSALM 2



Zijn we eigenlijk wel echt " VRIJ " ?


Het geloven in de HEERE wordt vaak gezien als een last.
Veel dingen mogen dan niet en dat wil " de vrije mens " niet .
Dat begint al in het paradijsÖ.. Adam en Eva die net als God willen wezen.
Maar in plaats van " VRIJ " te zijn, komen ze in banden van Gods tegenstander de duivel ( satan ).
Vanaf dat moment voert " de vrije mens " een strijd.
Voor veel mensen is dit een strijd tegen de dood, want dat is de grootste vijand.
Maar is " deze dood " wel onze grootste vijand ?

In Psalm 2 is er ook een strijd te zien. Niet met een onbekende afloop.
Nee, de overwinnaar is (wordt) bekend.
Eigenlijk begrijpt de psalmdichter de strijd niet!
Waarom staan de heidenen, de volken en de koningen der aarde op tegen de HEERE ? 
Waarom willen zij de banden verscheuren en de touwen van de HEERE wegwerpen ?
Die vraag kunnen we ons zelf ook wel stellen !!

Is het leven met de HEERE ( lees: dienen/gehoorzamen ) zo'n last ?
Leven we dan als gevangene van de HEERE, als wij Hem dienen ?

De psalmdichter begrijpt dat niet,
want in de verzen 4,5 en 9 laat hij de verschrikkelijke gevolgen zien van deze keuze.
Er wordt hier gesproken van de toorn van God, de grimmigheid die hen zal verschrikken.
Er worden woorden gebruikt als verpletteren en in stukken slaan.
Dat zijn de gevolgen van een leven zonder God.
En ja, dan wordt het leven hier op aarde een strijd tegen de dood, die wij ALTIJD zullen verliezen.
Het gevolg van de  banden en touwen van de duivel.
Die doen ons zuchten en zullen ons in de eeuwige dood storten.

Hoe anders zijn Gods banden en touwen; dat zijn liefdeskoorden.
En ook al lijken Gods banden en touwen u te zwaar :
 Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij,
dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart;
en gij zult rust vinden voor uw zielen.
Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.

MattheŁs 11 vers 29 en 30

De verzen 6,7 en 8 laten duidelijk zien dat er een overwinning is op de dood.
Er wordt hier gesproken over
" Mijn Koning " door God Zelf gegenereerd. (verwekt).
De dichter heeft dit niet zelf bedacht of verzonnen.
Nee, in deze psalm geeft de dichter door wat God heeft besloten
 ( Ik zal van het besluit verhalen )
De overwinnaar is duidelijk: " Mijn Koning ", " Mijn Zoon ."
De Messias ( Jezus Christus ) die later Zelf ook zegt:
" Mij is gegeven alle macht in hemel en op de aarde ( MattheŁs 28 vers 18 )

De psalmdichter laat er geen twijfel over bestaan : 
" Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, 
en de einden der aarde tot Uw bezitting. " 

Kust daarom de Zoon ( vers 12 )......
In het oosten was dat gewoon. 
Op deze manier werd aan een machtige koning bekend gemaakt
dat zij hem als "heer" zagen/erkennen.
Vaak werd er dan geknield of lag men languit voor de machtige koning op de grond.

De dichter zegt hier:
" Erken de Zoon van God als Koning der koningen, Heer de heren."

Simpelere gezegd....
Dien je/ gehoorzaam je de Here Jezus Christus, Zoon van God ?

 

 Daarom eindigt de psalmdichter dan ook met een waarschuwing :

 vers 10: " Handelt verstandiglijk "
 vers 12: " Opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat,
  wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden "

 Maar wat moeten we dan ?

 vers 11: "Dient de HEERE met vreze, en verheugt u met beving ."
 vers 12:  " Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op de weg vergaat,
   wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden "

  
Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen."
 

Die belofte wordt aan het eind van de Bijbel in het boek "Openbaring" nog eens herhaalt:

 1 En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel,
    en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.

 2  En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem,
     nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid,
     die voor haar man versierd is.

 3  En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende:
     Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen,
     en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn,
     en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.

 4  En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn;
     noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn;
     want de eerste dingen zijn weggegaan.

 5  En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.
     En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.

 6  En Hij sprak tot mij: Het is geschied.
     Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde.
     Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.

 7  Die overwint, zal alles beerven; en Ik zal hem een God zijn,
     en hij zal Mij een zoon zijn.

Kust u / Kus jij de Zoon ????
 

BoBru 07122002